
Vader leert zoons ‘een lesje’, slaat ze neer met ijzeren pijp
Joost Visbeen
Gouda - Een oude Goudse rechtszaak laat zien hoe botsende culturen en generaties een gezin konden ontwrichten. Het speelt zich af in 1983, maar kan zomaar ook vandaag de dag gebeuren, schrijft Joost Visbeen.
Mohammed A. kwam in 1965 als arbeidsmigrant naar Gouda en liet na een aantal jaren definitief gesetteld te zijn, zijn gezin overkomen. Toen Mohammed zijn vaderland verliet was de oudste, en naar hem vernoemde zoon, vier jaar oud en de jongste, Abid, twee jaar. De jongens groeide dus op in een westerse wereld met de hier heersende opvattingen. Ook zijn echtgenote wist wonderwel te assimileren in de Nederlandse samenleving.
Met name de westerse levensstijl leidde tot enorme spanningen in het gezin, omdat de vader en echtgenoot bleef vastzitten in de traditionele Marokkaanse moraal. In zijn beleving vormde zijn gezin vanwege die verwestering een front tegen hem en tegen zijn Marokkaanse tradities. Daarnaast was het hem een doorn in het oog dat zijn inmiddels volwassen zoons (financieel) niets bijdroegen in de huishouding en in de aflossing van de hypotheek.
‘Een lesje leren’
Dat zijn oogappeltjes van weleer bovendien wel eens dingen deden die het daglicht niet konden verdragen en hen in contact bracht met de sterke arm der wet ervoer hij als een grote schande. Zo vatte het idee bij hem post dat hij zijn jongens een lesje moest leren, of wel een opvoedende maatregel in de vorm van een harde hand.
Zo kon het gebeuren dat in de vroege ochtend van 8 oktober zijn vroegere oogappeltjes in hun slaap werden getrakteerd met twee keiharde slagen met een ijzeren pijp op het hoofd, om zich vervolgens zonder zich om hen te bekommeren uit de voeten te maken.
Later verklaarde hij dat hij uit blinde woede had gehandeld en expres op het hoofd had geslagen, omdat hij dacht dat stevige mokerslagen op de borststreek ernstig letsel zou kunnen veroorzaken. Door hen op het hoofd te slaan veronderstelde hij dat ze slechts duizelig zouden worden en ontbrak het besef totaal dat hij de oudste een zware hersenschudding toebracht, en een schedelbasisfractuur en bij de jongste een hersenbloeding teweegbracht dat fataal had kunnen zijn.
Uit psychiatrisch onderzoek kwam naar voren dat Mohammed A. als gevolg van schrijnende persoonlijke achtergronden, welke dat ook geweest mochten zijn, verminderd toerekeningsvatbaar werd bevonden.
Ondanks dat Mohammed A. in zijn omgeving bekend stond als een vriendelijke hardwerkende man, die altijd voor zijn gezin in de weer was en in een verzoeningsbijeenkomst hem vergeving was geschonken, bleek de breuk met zijn gezin definitief. De echtgenote had bovendien een echtscheidingsprocedure in gang gezet vanwege het vermeende feit van huwelijkse ontrouw.
De officier van justitie kwam alles overziende tot een milde strafeis van één jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, terwijl in het strafrecht een dergelijk delict als poging tot moord wordt gekwalificeerd. Doorslaggevend was dat hij zijn jongens niet wilde doden, maar alleen wilde straffen voor het feit dat zij niet de Marokkaanse zeden en gewoonten eerbiedigden.
De raadsman benadrukte dat het handelen slechts in blinde woede had plaatsgevonden enkel en alleen om de jongens in het gareel te krijgen en meende dat de verdachte uit overmacht werd gedwongen om op te treden, zodat er van strafbaarheid geen sprake kon zijn. Zodoende vroeg hij om vrijspraak, dan wel bij schuldbevinding een straf gelijk aan het voorarrest.
Wat de uiteindelijke veroordeling is geweest heb ik uit de door mij bewaarde stukken niet kunnen opmaken, maar de grootste straf is ontegenzeggelijk een geruïneerd gezinsverband en dat alleen maar vanwege het onvermogen om verschillen in culturele inzichten te kunnen overbruggen.